Een poster thuis afdrukken of bij de drukker
De drukker geeft je één vel zonder naden. Thuis zet je er meerdere in elkaar en betaal je met tijd in plaats van met geld. De keuze gaat er bijna altijd over waarvan je het meeste hebt.
Waar je eigenlijk tussen kiest
Beide wegen eindigen met een poster aan de muur, dus de vraag is niet of een printer thuis het kan. Dat kan hij, en het hoeft geen bijzondere te zijn. De vraag is wat een drukker je verkoopt wat een printer thuis niet kan leveren, en dat lijstje is kort: één ongedeeld vel, papier dat zwaarder is dan wat jouw lade aankan, en iemand anders die het werk doet.
Al het onderstaande is een manier om te vragen wat die drie dingen waard zijn bij precies die poster die je in gedachten hebt. Bij één ingelijst stuk dat er jaren gaat hangen: behoorlijk veel. Bij een wandkaart, een plattegrond, een schets of iets wat je volgende maand toch opnieuw afdrukt: vrijwel niets.
Wat elk van de twee kost
Thuis zijn de kosten papier plus inkt, en die schalen mee met het aantal vellen, dat weer meeschaalt met de oppervlakte. Er is geen ondergrens en geen minimum: een A2 van vier vellen kost vier vellen, en twee keer afdrukken kost er acht.
Een drukker rekent andersom. Grootformaatwerk draagt opstartkosten die kleine opdrachten domineren, dus de eerste poster is duur en de tiende kopie ervan is goedkoop. Juist die vorm maakt het eerlijke antwoord ongemakkelijk: voor één poster is een drukker vaak veel scherper dan mensen aannemen, en voor alles wat je nog gaat aanpassen veel slechter, want elke aanpassing is een nieuwe opdracht en nog een rit.
De kosten die altijd buiten de vergelijking vallen zijn die van de mislukte afdruk. Thuis kost een fout een paar vellen en tien minuten. Bij de drukker kost hij de hele opdracht, en je ontdekt hem meestal pas nadat je betaald hebt.
Waar het verschil echt zichtbaar wordt
Eerst de naden. Geen enkele methode thuis krijgt ze weg — overlap laat een voelbare rand achter, tegen elkaar gelegde vellen een zichtbare lijn — en van dichtbij verandert geen enkele zorgvuldigheid daar iets aan. Op de afstand waarop een poster echt bekeken wordt, twee of drie meter, leest een zorgvuldig opgebouwde poster als één beeld en valt het niemand op. Op dertig centimeter valt het altijd op.
Kleur is het stillere verschil. Een grootformaatprinter legt de hele poster in één doorlopende gang neer; een printer thuis drukt je vellen een voor een af, en een cartridge die halverwege een reeks van zestien vellen opraakt zet een zichtbare trap dwars door het beeld. Druk het hele stel in één keer af, uit dezelfde lade, voordat je de machine voor iets anders gebruikt.
Het derde punt is een zware inktdekking. Een donker beeld dat tot de rand doorloopt gaat op gewoon papier van 80 g bollen: het vel golft tijdens het drogen en de naden sluiten niet meer aan. Zwaarder papier lost dat op, en dat is precies het ding dat een lade thuis begrenst.
Het formaat waarboven een printer thuis geen zin meer heeft
Het aantal vellen groeit met de oppervlakte, dus het groeit met het kwadraat van het formaat. Dat is het hele verhaal. Een A2 is vier vellen en twintig aangename minuten; een A1 is er acht; een A0 is er zestien in het beste geval en eerder twintig zodra je de overlap meetelt. Ergens daartussen houdt het in elkaar zetten op een klein klusje aan het eind te zijn en wordt het de klus.
Voor de meeste mensen ligt de grens net voorbij A1. Daaronder is het aantal naden laag genoeg dat zorgvuldig werk bedoeld lijkt. Daarboven leg je twintig vellen op de vloer uit te lijnen, en de kans dat alle twintig identiek zijn afgedrukt staat niet in je voordeel.
Wat een drukker kan en jij niet
Eén doorlopend vel op elk formaat. Papiergewichten en afwerkingen die een lade thuis niet aankan: mat, satijn, canvas, karton. Lamineren en opplakken. En echt kleurbeheer, als je een profiel meelevert en het je uitmaakt dat de afdruk overeenkomt met een scherm dat je gekalibreerd hebt.
Als de poster een cadeau is, werk waarvoor je betaald wordt, of iets wat komt te hangen in een kamer die je aan mensen laat zien, dan is dat het lijstje dat beslist.
Wat jij kunt en een drukker lastig maakt
Uitproberen. Om twee uur 's nachts afdrukken. Een formaat afdrukken dat niemand verkoopt — een poster die in een nis van 68 cm breed moet passen is bij een drukker een speciale opdracht en thuis een gewone middag. Op ware grootte afdrukken omdat het juist om de maten gaat, wat bij vrijwel alle patronen, kaarten en plattegronden zo is. En de dingen afdrukken die je liever niet aan een onbekende achter een balie geeft.
Een tussenweg die het kennen waard is
Thuis proefdrukken, daarna bestellen. Verdeel de poster, druk hem af, plak hem met tape aan de muur en leef er een dag mee. Het is de enige betrouwbare manier om te ontdekken dat de uitsnede niet klopt, dat de tekst op dat formaat te klein is, of dat kleuren die op het scherm diep leken op papier dof worden. Daarna stuur je het gecorrigeerde bestand naar de drukker en betaal je één keer.
Een paar vellen papier zijn een goedkope manier om dat allemaal niet te hoeven leren van een afdruk die je al hebt opgehaald.