PrintReal Gids

Hoe je een afbeelding op ware grootte afdrukt

Afdrukken op een exact fysiek formaat klinkt als iets wat vanzelf zou moeten gaan. Dat gaat het niet — en de reden is één enkele instelling die vrijwel elk afdrukvenster voor je aanzet.

Waarom je afdrukken op het verkeerde formaat uitkomen

Een afbeeldingsbestand heeft geen fysiek formaat. Het heeft pixels, en in de metadata kan een DPI-getal staan, maar nergens in het bestand staat “dit is 8 centimeter breed”. Het fysieke formaat wordt op het moment van afdrukken bepaald, en bepaal jij het niet, dan doet je printer het.

En wat die kiest is vrijwel altijd “Aanpassen aan pagina” — de afbeelding groter of kleiner maken tot hij het bedrukbare gebied van het vel vult. Voor een vakantiefoto is dat een verstandige standaard en voor alles met een maat een destructieve. Erger nog: de meeste vensters doen er nog een verkleining bovenop om uit de onbedrukbare rand van de printer te blijven, waardoor zelfs een afbeelding die al het juiste formaat had er iets te klein uit komt.

In drie stappen goed

De tool “Ware grootte” bestaat om het gokwerk uit de eerste twee stappen te halen, en de derde het enige te maken wat je hoeft te onthouden.

  • Voeg je afbeelding toe en typ de grootte die je wilt — breedte of hoogte in centimeters, inches of millimeters. De andere maat volgt vanzelf, zodat er niets vervormt.
  • Kies je papier (A4 tot en met A0, Letter, Legal of Tabloid) en je marges. De tool legt de afbeeldingen zo neer dat er zo min mogelijk vellen nodig zijn, en vertelt hoeveel dat er worden.
  • Download de PDF en druk hem af met de schaling op 100% — afhankelijk van je venster heet dat “Werkelijke grootte”, “Oorspronkelijk formaat” of “Geen”. Niet “Aanpassen aan pagina”, en niet “Verkleinen tot passend”.

Meet het één keer na met een liniaal

Druk één testvel af en meet het resultaat. Vroeg je om 4 cm en kreeg je 4 cm, dan zijn je printer en deze instellingen te vertrouwen en kun je de rest afdrukken zonder er nog over na te denken.

Komt het er stelselmatig te klein uit — zo'n 96% is het klassieke symptoom — dan past je venster ergens nog steeds een verkleining tot paginaformaat toe. Snijlijnen helpen hierbij: zet ze in de tool aan, dan heb je een afgedrukte rand om naar te meten in plaats van te gokken waar een lichte afbeelding precies ophoudt.

Hoeveel resolutie je nodig hebt

Fysiek formaat en resolutie hangen samen via DPI: dots per inch. Het aantal pixels dat je nodig hebt is het afdrukformaat in inches maal de DPI die je wilt. Voor iets dat je in je hand houdt is 300 DPI het traditionele streven en is 150 DPI meestal acceptabel; onder ongeveer 100 DPI wordt de zachtheid op leesafstand zichtbaar.

Een uitgewerkt voorbeeld: om 10 cm breed op 300 DPI af te drukken heb je ruwweg 1180 pixels breedte nodig, want 10 cm is 3,94 inch en 3,94 × 300 ≈ 1180. Is je bestand kleiner, dan heb je twee eerlijke opties — kleiner afdrukken, of eerst opschalen.

Waar mensen dit voor gebruiken

Stickers en etiketten die op een bepaalde verpakking moeten passen. Foto's op standaardformaten zonder fotolab. Naai- en knutselpatronen, die alleen op 1:1 bruikbaar zijn. Sjablonen voor houtbewerking en modelbouw die direct van het vel worden overgetrokken. Kaarten, labels en verpakkingsmodellen waarbij het snijformaat de specificatie is.

De rode draad is dat het juist om de maat gaat. Overal waar er achteraf een liniaal bij komt, is dit de tool.

Open “Ware grootte”