Een foto op exact formaat afdrukken
Een foto heeft geen fysiek formaat totdat jij er een aan geeft. De pixels bepalen hoeveel detail er beschikbaar is; jij bepaalt de centimeters — en die twee ontmoeten elkaar pas op het moment dat je afdrukt.
Pixels zijn geen formaat
DPI is geen eigenschap van je bestand. Het is een verhouding tussen twee dingen die je al hebt: pixels, en het formaat dat je op papier wilt. Een foto van 3000 pixels breed is bij 300 DPI 25 cm breed en bij 200 DPI 38 cm breed, en aan het bestand is daartussen niets veranderd.
Bestanden dragen wel een opgeslagen DPI-getal mee, en dat is een suggestie waar niets zich aan hoeft te houden. Wat het formaat van je afdruk werkelijk bepaalt is het formaat dat je in het afdrukvenster instelt — en daarom is het expliciet instellen de enige betrouwbare manier om 13 × 18 cm op papier te krijgen in plaats van iets wat daarbij in de buurt komt.
Gangbare formaten en de pixels die ze vragen
Bij 300 DPI, de gebruikelijke maatstaf voor iets dat je op leesafstand vasthoudt. De formaten zijn gegroepeerd per eenheid en niet per oppervlakte, omdat de metrische en de Angelsaksische familie niet uitwisselbaar zijn — 10 × 15 cm en 4 × 6 in zijn hetzelfde idee in twee stelsels, en het zijn niet dezelfde maten.
| Formaat | In de andere eenheid | Pixels bij 300 DPI | Verhouding | Goed om te weten |
|---|---|---|---|---|
| 10 × 15 cm | 3,9 × 5,9 in | 1181 × 1772 px | 3:2 | De standaard metrische afdruk. Komt exact overeen met een camerasensor, dus er wordt niets bijgesneden. |
| 13 × 18 cm | 5,1 × 7,1 in | 1535 × 2126 px | 1,38:1 | Dicht bij 5 × 7 in zonder het te zijn. Het loont te vragen welke van de twee een lab bedoelt. |
| 15 × 20 cm | 5,9 × 7,9 in | 1772 × 2362 px | 4:3 | Komt exact overeen met een telefoonfoto, wat geen enkel inch-formaat doet. |
| 20 × 30 cm | 7,9 × 11,8 in | 2362 × 3543 px | 3:2 | De grote metrische afdruk, nog steeds 3:2, dus nog steeds niets bijgesneden bij een camerafoto. |
| A4 | 8,3 × 11,7 in | 2480 × 3508 px | 1,41:1 | Een papierformaat, geen fotoformaat. Een 3:2-foto verliest hier ongeveer 6% van zijn lengte. |
| 4 × 6 in | 10,2 × 15,2 cm | 1200 × 1800 px | 3:2 | De Angelsaksische standaard, en heel iets groter dan 10 × 15 cm. |
| 5 × 7 in | 12,7 × 17,8 cm | 1500 × 2100 px | 1,4:1 | Een 3:2-foto verliest hier ongeveer 7% van zijn lengte. |
| 8 × 10 in | 20,3 × 25,4 cm | 2400 × 3000 px | 4:5 | Een 3:2-foto verliest hier een zesde van zijn lengte. Snijd zelf bij, anders doet het lab het. |
| 11 × 14 in | 27,9 × 35,6 cm | 3300 × 4200 px | 1,27:1 | Het gangbare lijstformaat, en lastig voor elke cameraverhouding die er is. |
| 16 × 20 in | 40,6 × 50,8 cm | 4800 × 6000 px | 4:5 | Vraagt 29 megapixel bij 300 DPI. Op de afstand waarop hij komt te hangen volstaat veel minder. |
De verhouding is wat je foto bijsnijdt
Het aantal pixels vertelt je of een afdruk scherp kan zijn. De verhouding vertelt je of hij het beeld kan zijn dat je gemaakt hebt, en dat is het punt waar mensen van opkijken.
Camera's fotograferen in 3:2. Telefoons fotograferen in 4:3. De afdrukformaten zijn voor geen van beide genormeerd: 8 × 10 in en 16 × 20 in zijn 4:5, 5 × 7 in is 1,4:1, A4 is 1,41:1. Zodra dat niet overeenkomt wordt er iets afgesneden — en beslis jij niet wat, dan beslist het lab of het afdrukvenster het voor je, meestal door gelijke stroken van beide uiteinden van de lange zijde te nemen.
De getallen zijn het waard om vooraf te kennen. Een 3:2-foto die op 8 × 10 in wordt afgedrukt verliest een zesde van zijn lengte. Op 5 × 7 in verliest hij ongeveer 7%, op A4 ongeveer 6%. Een 4:3-telefoonfoto op 8 × 10 in verliest ongeveer 6%. Zit er in de compositie iets vlak bij de boven- of onderrand — een hoofd, een horizon, een handtekening — snijd het dan eerst bewust zelf bij.
Hoeveel pixels je werkelijk nodig hebt
300 DPI is de norm omdat een normaal oog ongeveer daar ophoudt afzonderlijke punten te onderscheiden op leesafstand. Het is een plafond en geen drempel, en het als minimum behandelen is wat mensen doet denken dat hun foto's niet af te drukken zijn.
Op armlengte is 200 DPI bij de meeste onderwerpen nauwelijks van 300 te onderscheiden: een afdruk van 16 × 20 in vraagt dan geen 29 megapixel meer, maar 3200 × 4000 px, oftewel 13 megapixel. Onder ongeveer 150 DPI begint het als onscherpte op te vallen, en onder 100 wordt het als structuur zichtbaar.
De regel die echt werkt: deel de pixels die je hebt door de inches die je wilt en kijk welke DPI eruit komt. Boven 240: afdrukken. Tussen 150 en 240: afdrukken en bekijken vanaf de plek waar hij komt te hangen. Onder 150: kleiner afdrukken of eerst de resolutie verhogen.
Het exacte formaat op papier krijgen
Stel het formaat expliciet in in plaats van het door iets te laten aanpassen. En dan geldt in het afdrukvenster dezelfde regel als bij elke andere maatvaste afdruk: schaling op 100%, “Werkelijke grootte” of “Geen” — nooit “Aanpassen aan pagina”, dat je zorgvuldig opgegeven 13 × 18 cm herschaalt naar wat langs de printermarge past.
Kies het papierformaat dat er echt in zit, zet de papiersoort op wat er in de lade ligt, en controleer het resultaat met een liniaal bij de eerste afdruk in plaats van bij de vijfde. De volledige uitleg staat in de gids om op ware grootte af te drukken.
Randloos afdrukken, en waarom het je formaat verschuift
Randloos afdrukken werkt door het beeld iets te vergroten — meestal met twee of drie procent — zodat het aan alle kanten voorbij de rand van het papier loopt en er geen witte lijn kan verschijnen als het vel een fractie scheef wordt ingevoerd. Die vergroting is een schaling waar je niet om gevraagd hebt, en ze komt boven op het formaat dat je hebt ingesteld.
Bij een foto is dat meestal onzichtbaar en helemaal prima. Gaat het juist om de exacte maat — een afdruk die in een passe-partout met een vaste opening moet passen, of een serie die op elkaar moet aansluiten — druk dan met rand af op een iets groter vel en snijd het bij. Bijsnijden is de enige manier om een exacte rand te krijgen uit een printer die de rand van zijn eigen papier niet kan bereiken.